We hebben de stroom binnen. Nu willen we natuurlijk ook gaan vliegen en daarvoor is een hoop wind nodig, waar onze twaalf motoren voor gaan zorgen. Alle motoren gaan tegelijk aan en beginnen rustig te draaien. Aan deze elektromotoren zitten zes V-snaren die de grote ventilator doen bewegen. Deze begint ook rustig met draaien, maar een paar minuten later draaien alle ventilatoren ontzettend hard. Hierdoor ontstaat een luchtstroom naar de vliegkamer waar je als persoon echt aan het vliegen bent.
Door deze constructie is het dus heel veilig: mocht de stroom onvoorzien uitvallen, dan hebben de ventilatoren nog zoveel momentum dat ze langzaam aftoeren. Dit resulteert in een langzaam afnemende luchtstroom, waardoor je als vlieger langzaam naar beneden zakt.
Om die harde wind in de vliegkamer te krijgen, gaat de luchtstroom vanaf de ventilator door een windkanaal naar een open ruimte midden onder de vliegkamer. Alle twaalf kanalen komen op dat punt uit. Vanuit dat middelpunt wordt de wind omhoog gestuurd door middel van de turning vanes. Om te zorgen dat de wind laminair omhoog gaat, gaat de wind vervolgens nog door de gelijkrichter: een groot rooster met vierkante gaten. En dan vliegt de wind onder tegen de persoon aan die in de vliegkamer aan het vliegen is.